7 Vraagt en er zal aan u gegeven worden; zoekt en ge zult vinden; klopt en er zal voor u worden opengedaan;
8 want al wie vraagt mag aannemen en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan;
9 of wie uit u is een mens aan wie zijn zoon een brood zal vragen, hij zal hem toch geen steen geven?
10 of hij zal ook om een vis vragen,- hij zal hem toch geen adder geven?
11 als dan gíj, hoe boosaardig ge ook zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader die in de hemelen is goede dingen geven aan wie hem daarom vragen!